ABC

Opmerking: alle termen in deze woordenlijst zijn gedefinieerd in de context van duursport, fysiologie
en training. Sommige woorden kunnen in het dagelijks taalgebruik een andere betekenis hebben.

  • ADP
    Adenosinedifosfaat. Energie komt vrij door ATP-hydrolyse die de cel kan gebruiken. Mitochondriën produceren ATP uit voedingsstoffen (glucose, vetten) via celademhaling.

    AMPK
    Adenosine Monophosphate-activated Protein Kinase. Is een soort eiwit-sensor in je spieren die merkt wanneer er energie nodig is.

    Aërobe drempel
    Intensiteit waarbij je lichaam voornamelijk zuurstof gebruikt; basis voor duurtraining.

    Anaërobe drempel
    Het punt waarbij je spieren lactaat beginnen te produceren; belangrijk voor trainingszones en uithoudingsvermogen.

    Anaerobe glycolyse
    Subsysteem van het anaerobe energiesysteem. Maakt energie uit glycogeen zonder gebruik van zuurstof en produceert daarbij lactaat. Geschikt voor intensieve inspanningen van korte duur (±10 s tot 2 min), zoals korte beklimmingen, zware intervallen en sprints op hoge intensiteit.

    Aminozuren
    Bouwstenen van eiwitten; sommige (BCAA’s) kunnen tijdens inspanning energie leveren en herstel ondersteunen.

    ATL (Acute Training Load): Trainingsbelasting over korte periode; geeft de recente trainingsstress weer.

    ATP
    Adenosinetrifosfaat. De brandstof van een (spier)cel. Cellen gebruiken ATP als directe energiebron om allerlei processen uit te voeren, zoals spiercontracties tijdens inspanning, actief transport van stoffen in en uit de cel, synthese van eiwitten en andere moleculen. Wanneer ATP energie afgeeft (ATP-hydrolyse), breekt een fosfaatgroep af en ontstaat ADP.

    ATP–PC / fosfaatsysteem
    Subsysteem van het anaerobe energiesysteem. Levert directe energie uit fosfocreatine dat in de spieren ligt opgeslagen. Werkt zonder zuurstof en zonder lactaatvorming. Geschikt voor zeer korte, maximale inspanningen (0–10 s), zoals sprintstarts en explosieve versnellingen.

    Atrofie
    Afname van spiermassa en kracht door inactiviteit, ziekte of ouderdom; bij inactiviteit vaak omkeerbaar, bij ouderdom deels afrembaar met training.

  • BCAA’s
    Branched-Chain Amino Acids / vertakte-keten aminozuren. Essentiële aminozuren (leucine, isoleucine, valine) die spierafbraak kunnen verminderen en herstel ondersteunen tijdens duursport.

    Bekken
    Het grote, stevige bot dat de romp verbindt met de benen; ondersteunt houding en krachtoverdracht naar de benen.

    Beta-alanine
    Een niet-essentieel aminozuur dat in de spier wordt omgezet in carnosine, een buffer tegen verzuring. Kan lactaatbuffering ondersteunen en helpt mogelijk bij korte, intensieve inspanningen van 1–10 minuten.

    BMI (Body Mass Index)
    Indicator voor het lichaamsgewicht in verhouding tot de lengte. Het geeft een ruwe inschatting van een gezond gewicht. Neem deze indicator echter altijd met een korrel zout, want bij fittere of gespierde mensen geeft de BMI vaak een vertekend beeld.

    Blokperiodisatie
    Een periode van meerdere weken met eenzelfde trainingsfocus om specifieke adaptaties in spieren, energievoorziening en uithoudingsvermogen te realiseren.

    Bloedsuikerspiegel (Bloedglucose)
    Het glucosegehalte in je bloed; belangrijk voor energievoorziening tijdens duursport.

  • Cafeïne
    Stimuleert het centrale zenuwstelsel, verbetert alertheid, vermindert vermoeidheid en kan prestaties bij duur- en intervaltraining verbeteren.

    Calorie
    Een eenheid van energie die aangeeft hoeveel energie het lichaam kan halen uit voeding of verbruikt tijdens inspanning. Wordt gebruikt om energie-inname en -verbruik in sport en voeding te kwantificeren.

    CaMK
    Calcium/Calmodulin-dependent Protein Kinase. Is een eiwit-sensor in de spieren, gevoelig voor veranderingen in calcium tijdens spiercontracties. Vooral actief bij hoge intensiteit oefeningen, zoals sprinten of zware intervallen. Het zorgt ervoor dat spieren zich aanpassen aan kracht, snelheid en explosiviteit, en beïnvloedt ook een deel van het energiemetabolisme, maar minder gericht op vetverbranding.

    Chasse Patat
    Achtervolging van een kopgroep zonder echt terreinwinst; vaak inspannend maar zonder resultaat.

    CTL (Chronic Training Load)
    Gemiddelde trainingsbelasting over langere periode; geeft het trainingsvolume en -intensiteit weer.

    Clavicula
    Sleutelbeen, verbindt borstbeen met schouderblad; ondersteunt stabiliteit van schouder en armen.

    Contractietypen
    Soorten spiercontracties: Isometrisch (spanning zonder lengteverandering), concentrisch (spier verkort, bijv. omhoog tillen) en excentrisch (spier verlengt, bijv. laten zakken van gewicht).

    Costae
    Ribben, beschermen thoracale organen en ondersteunen ademhaling en rompstabiliteit.

    Creatine
    Een supplement dat de hoeveelheid creatine in de spieren verhoogt, waardoor de fosfocreatine (PC)-voorraad toeneemt. Het is vooral relevant voor korte, explosieve inspanningen en heeft beperkt effect voor pure duursporters, maar kan ook intervaltraining en krachtgerichte inspanningen ondersteunen.

    Criterium
    Korte, snelle wielerwedstrijd op een gesloten circuit of stadsronde, vaak meerdere ronden, met nadruk op snelheid, bochtenwerk en strategie.

    Cyclosportive
    Franse term voor een georganiseerde langeafstandsfietstocht op de weg, vergelijkbaar met een Gran Fondo, maar meestal met een sterker competitief karakter.

  • Dextrose
    Een andere naam voor glucose. Wanneer glucose industrieel wordt gebruikt als zoetstof of energiebron in voeding en medische toepassingen, wordt de naam dextrose gehanteerd.

    DOMS
    Delayed Onset Muscle Soreness
    Spierpijn 24–72 uur na inspanning

  • Eiwitten / Whey / Caseïne – Ondersteunen spierherstel en -opbouw na training; whey snel opneembaar, caseïne langzamer.

    Electrolyten
    Mineralen zoals natrium en kalium die belangrijk zijn voor vochtbalans en spierfunctie.

    Erector spinae
    Rugspieren langs de wervelkolom; verantwoordelijk voor het strekken van de rug, houding en stabiliteit bij fietsen en krachttraining.

    Ergometer
    Apparaat om prestaties op een gecontroleerde manier te meten.

  • Fascia
    Bindweefsel dat spieren, organen en structuren in ons lichaam omhult, ondersteunt en met elkaar verbindt.

    Fartlek
    Zweeds voor “snelheidsspel”. Een ongestructureerde intervaltraining waarbij korte periodes van hard of snel tempo worden afgewisseld met rustig herstel. Fartlek ontwikkelt zowel fysieke eigenschappen zoals snelheid, kracht en uithoudingsvermogen, als mentale vaardigheden, zoals het inschatten van inspanning (RPE) en het omgaan met variaties in terrein en conditie.

    FTP
    Functional Threshold Power.
    Het hoogste vermogen dat gedurende 1 uur vol te houden is.

    Fructose
    Fructose is een enkelvoudige suiker (monosacharide) die van nature voorkomt in fruit, groenten en honing. Het verhoogt de bloedsuikerspiegel minder snel dan glucose omdat het minder direct insuline stimuleert, maar overmatige consumptie kan nog steeds schadelijk zijn voor de gezondheid.

  • Galactose
    Enkelvoudige suiker (monosacharide) die vooral voorkomt in melk en zuivelproducten. Het wordt in de lever omgezet in glucose voor energie.

    Gel
    Een geconcentreerde bron van koolhydraten in vloeibare of pasta-achtige vorm, bedoeld om snel energie aan te vullen tijdens inspanning. Gels bevatten meestal 15–30 gram koolhydraten per sachet en worden vooral gebruikt bij duursport om glycogeen aan te vullen en prestaties te ondersteunen, vooral bij ritten langer dan 60–90 minuten. Voor optimale opname wordt vaak een glucose : fructose-verhouding van circa 2:1 gebruikt. Het effect hangt af van timing, hoeveelheid en persoonlijke tolerantie.

    Glucose
    Direct beschikbare suiker die het lichaam als brandstof gebruikt; afkomstig van voeding of afbraak van glycogeen.

    Gluteus maximus
    De grote bilspier, betrokken bij heupextensie, kracht en stabiliteit tijdens fietsen en lopen.

    Glycogeen
    Opslagvorm van glucose in spieren en lever. Tijdens inspanning wordt glycogeen afgebroken tot glucose om energie te leveren.

    Glycemische index (GI)
    Maatstaf voor hoe snel een koolhydraat de bloedsuiker verhoogt; belangrijk bij voedingsstrategieën voor duursporters.

    Gran Fondo
    Langeafstandsfietstocht op de weg, vaak met veel hoogtemeters, oorspronkelijk uit Italië (gran = groot/lang, fondo = afstand); recreatief of competitief gereden.

    Gravel
    Categorie waarbij wordt gereden over onverharde en halfverharde wegen, met een gravelfiets.

    Grimpeur
    Klimmer. Uitblinker op lange en steile beklimmingen; vaak licht van gewicht, minder kracht op vlakke stukken.

  • Half-wheeler
    Renners die net naast of iets achter een ander rijden; profiteren deels van windscherming, maar niet optimaal.

    Hamstrings (achterdijspieren)
    De spieren aan de achterkant van de bovenbenen, betrokken bij buigen van het kniegewricht en stabilisatie bij trappen.

    Hemoglobine
    Een eiwit in rode bloedcellen dat zuurstof uit de longen naar de weefsels transporteert en koolstofdioxide terug naar de longen.

    HRV (Heart Rate Variability)
    Variatie in tijd tussen hartslagen; geeft informatie over herstel en autonome balans.

    Humerus
    Opperarmbeen, verbindt schouder met elleboog; belangrijk voor krachttransmissie en stabiliteit van armen tijdens fietsen en krachttraining.

    Hyperglycemie (hoge bloedsuiker)
    Te hoog glucosegehalte; kan optreden bij te veel snelle koolhydraten of bij diabetes; op korte termijn meestal minder relevant voor sportprestaties, maar kan energieverwerking beïnvloeden.

    Hypoglycemie (lage bloedsuiker)
    Te laag glucosegehalte in het bloed; kan leiden tot vermoeidheid, duizeligheid, trillingen of flauwvallen tijdens inspanning.

    Hypertrofie
    Spiergroei door training.

  • IF (Intensity Factor):
    Meet de intensiteit van een training ten opzichte van de drempel van de sporter.

    IJzer
    Een mineraal dat essentieel is voor de aanmaak van hemoglobine en myoglobine, eiwitten die zuurstof transporteren in bloed en spieren. Tekort kan vermoeidheid veroorzaken en komt vooral voor bij vrouwelijke sporters of bij lage energie-inname.

    In het wiel zitten
    Achter een andere renner rijden om energie te besparen.

    Insuline
    Hormoon dat glucose uit het bloed naar spieren en lever transporteert; belangrijk voor energieopslag en herstel.

    Intensiteit
    Hoe zwaar een training of inspanning is; vaak uitgedrukt in % van maximale hartslag, vermogen of RPE.

    Intervalduur
    Lengte van de inspanningsperiode bij intervaltraining.

    Intervalrust
    Hersteltijd tussen inspanningsintervallen; beïnvloedt trainingsbelasting en effectiviteit.

  • Item description
  • Ketose
    Een metabole toestand waarbij het lichaam vet als primaire brandstof gebruikt in plaats van koolhydraten, waardoor ketonen in het bloed toenemen. Ketose kan ontstaan door koolhydraatbeperking, vasten of langdurige inspanning. De prestatievoordelen zijn beperkt en afhankelijk van individu en context.

    Ketonenesters
    Synthetische ketonen die als supplement kunnen worden ingenomen om extra energie te leveren tijdens inspanning. Het effect op prestaties is wisselend en sterk afhankelijk van timing, dosering en individu. Voor de meeste amateur- of recreatiesporters zijn ze niet nodig; training, voeding en herstel hebben veel grotere impact.

    Kopbeurt
    Periode waarin een renner aan de leiding van het peloton rijdt om tempo te maken of anderen te beschermen; vereist veel energie en zorgt voor windscherming van de volgers.

    Gastrocnemius
    De grote spier van de kuit, betrokken bij het strekken van de enkel en kracht bij duursport en sprinten.

  • Lactaat
    Een stof die tijdens intensieve inspanning in de spieren ontstaat uit glucose (anaerobe glycolyse). Het kan tijdelijk ophopen, maar wordt later weer gebruikt als energiebron of omgezet in glucose (glucose → pyruvaat → lactaat).

    Latissimus dorsi
    Grote rugspier die schouder en rug stabiliseert; helpt bij krachtoverdracht van armen naar romp en benen.

    Lead-out
    Voorbereidende actie van teamgenoten om een sprinter te positioneren voor de eindsprint.

    LT1 (Lactate Threshold 1)
    Het eerste punt waarop lactaat in het bloed begint te stijgen boven rustniveau.

    LT2 (Lactate Threshold 2)
    Het punt waarop lactaat snel opstapelt, ook wel de anaerobe drempel genoemd.

  • Macronutriënten
    Voedingsstoffen: koolhydraten, eiwitten, vetten; essentieel voor energie en herstel.

    Magnesium
    Een mineraal dat essentieel is voor spierfunctie, energieproductie, zenuwgeleiding en het behoud van sterke botten. Tekort kan leiden tot vermoeidheid of verminderde prestaties; het voorkomen van spierkrampen is echter niet wetenschappelijk bewezen.

    Maltodextrine
    Snel opneembare koolhydraat voor directe energie tijdens langdurige inspanning.

    Marathon
    Langeafstandsrace of -tocht, doorgaans georganiseerd voor de mountainbike, vaak 60–120 km of meer. Recreatief of competitief gereden.

    MaxHR
    Maximale hartslag; de hoogste hartslag die iemand tijdens maximale inspanning kan bereiken. Wordt gebruikt om trainingszones te bepalen en intensiteit te monitoren.

    Melkzuur
    Een vaak verkeerd gebruikt woord voor lactaat. Het lichaam maakt geen melkzuur aan tijdens inspanning, maar lactaat, een stof die helpt bij het afvoeren en bufferen van afvalstoffen. Zie: lactaat.

    Mitochondriën
    Zijn de energiecentrales van de (spier)cel. Ze zetten voedingsstoffen, zoals glucose en vetten, om in energie in de vorm van ATP, dat je spieren en organen gebruiken om te werken. Hoe meer mitochondriën een cel heeft, hoe efficiënter hij energie kan produceren. Ze spelen ook een rol bij herstel, celdood en stofwisseling.

    MLSS (Maximal Lactate Steady State)
    Het hoogste vermogen waarbij lactaatproductie en -afbraak in balans zijn, waardoor de lactaatconcentratie stabiel blijft. MLSS ligt net onder LT2 en geeft het maximale tempo dat langdurig duurzaam kan worden volgehouden.

    Multifidus
    Kleine diepe rugspieren langs de wervelkolom; ondersteunen wervelstabiliteit en controle tijdens beweging.

    Myoglobine
    Een eiwit in spiercellen dat zuurstof opslaat en beschikbaar maakt voor de spier tijdens inspanning, vooral bij korte, intensieve belasting.

  • Non-functional overreaching
    De belasting is te hoog of het herstel onvoldoende; dit leidt tot langere prestatieachteruitgang en verhoogd risico op overtraining.

    NP
    Normalized Power
    Effectieve trainingsbelasting bij variabele intensiteit; realistischer dan gemiddeld vermogen, maar kan bij korte pieken iets hoger schatten dan werkelijke belasting.

  • Obliquus externus
    Buitenste schuine buikspier
    Aan de zijkant van de romp; helpt bij rotatie en zijwaartse buiging van de romp, ondersteunt stabiliteit tijdens fietsen en krachttraining.

    Obliquus internus
    Binnenste schuine buikspier. Ligt onder de buitenste schuine buikspier; ondersteunt rotatie, zijwaartse buiging en stabiliteit.

    Overtraining:
    Langdurige overbelasting zonder voldoende herstel, met vermoeidheid, prestatieverlies en verhoogd blessurerisico.

  • Patella
    Knieschijf, beschermt het kniegewricht en verhoogt de hefboomwerking van de quadriceps bij strekken van de knie.

    Pectoralis major
    Grote spier aan de voorkant van de borst; verantwoordelijk voor het bewegen van de arm naar voren, naar binnen en rotatie van de schouder. Speelt een rol bij krachttransmissie tijdens fietsen, krachttraining en push-bewegingen.

    Pectoralis minor
    Ligt onder de grote borstspier; helpt bij het naar voren en omlaag bewegen van het schouderblad en ondersteunt ademhaling bij diepe inspanning.

    PGC-1α (Peroxisome proliferator-activated receptor gamma coactivator 1-alpha):
    Eiwit dat genen aanstuurt voor energieproductie en mitochondriën; wordt geactiveerd door signalen zoals AMPK en CaMK, die reageren op inspanning en energiestatus van de cel.

    Plasma
    Het vloeibare deel van het bloed waarin cellen, voedingsstoffen, hormonen, afvalstoffen en elektrolyten worden vervoerd. Het speelt een belangrijke rol bij hydratatie, temperatuurregulatie en transport van stoffen door het lichaam.

    Power
    Vermogen: energie die een sporter per tijdseenheid levert, uitgedrukt in watt, gebruikt om inspanning en prestaties te meten.

    Progressieve overload
    Geleidelijk toenemende belasting om adaptatie en prestatieverbetering te stimuleren.

    Puncheur
    Sterk op korte, steile heuvels en explosieve inspanningen; minder op lange beklimmingen of tijdritten.

    Pyruvaat
    Tussenproduct van glucoseafbraak dat bij voldoende zuurstof gebruikt wordt voor energieproductie, en bij weinig zuurstof tijdelijk wordt omgezet in lactaat.

  • Quadriceps
    Vierkoppige dijspieren aan de voorkant van de bovenbenen, verantwoordelijk voor strekken van het kniegewricht en kracht bij fietsen, springen en andere activiteiten.

  • Radius en Ulna Onderarmbeenderen, verantwoordelijk voor beweging en stabiliteit van de onderarm en hand; dragen bij aan stuurcontrole en krachttransmissie.

    Rectus abdominis
    Rechte buikspier. Ligt aan de voorkant van de buik; verantwoordelijk voor buigen van de romp en stabiliteit tijdens beweging.

    Rouleur
    Allrounder
    Goed in verschillende terreinen; kan klimmen, tijdritten rijden en lange afstanden aan.

    RPE (Rate of Perceived Exertion)
    Een schaal waarmee een sporter subjectief de intensiteit van een training of inspanning aangeeft, meestal van 1 (zeer licht) tot 10 (maximale inspanning).

  • Scapula
    Schouderblad, verbindt arm met romp en biedt stabiliteit voor schouderbewegingen.

    Soleus
    Ligt onder de gastrocnemius, helpt bij het strekken van de enkel en speelt een grote rol in langdurige inspanning en stabiliteit.

    Somatotype
    Lichaamstype (ecto-, meso-, endomorf), handig voor training en voeding; de meeste mensen zijn een mix van twee types.

    Steady state
    Constante inspanning waarbij hartslag en energieverbruik stabiel zijn.

    Stephen Seiler
    Amerikaanse inspanningsfysioloog en professor, bekend om onderzoek naar trainingsintensiteit en gepolariseerd trainen.

    Sternocleidomastoideus
    Halsspier, ligt aan de zijkant van de nek; verantwoordelijk voor het draaien en buigen van het hoofd en helpt bij ademhalingsondersteuning tijdens inspanning.

    Sternum
    Borstbeen, verbindt ribben aan voorkant van borstkas; beschermt hart en longen en ondersteunt ademhaling.

    Sweet Spot Training
    Trainen op een matig hoge intensiteit die net onder je lactaatdrempel ligt. Ook wel Tempo genoemd.

  • Threshold
    Het punt waarop de inspanning zwaar genoeg wordt dat lactaat zich snel opstapelt in de spieren.

    Tibia
    Scheenbeen, het voorste, grotere onderbeenbot; draagt gewicht en speelt een rol in krachttransmissie bij fietsen en lopen.

    Trapezius
    Monnikskapspier
    Spier van nek en bovenrug; stabiliseert schouders en bovenrug, helpt bij krachttransmissie en houding op de fiets.

    Transversus abdominis
    Dwarslopende buikspier
    Diepste buikspier, fungeert als natuurlijke ‘corset’ voor de romp en stabiliseert wervelkolom en bekken.

    Trevor Connor:
    Canadese endurance coach en wetenschapper en bekend als medeoprichter en CEO van Fast Talk Labs en de Fast Talk podcast over duursport‑training &‑voeding.

    TSB (Training Stress Balance):
    Verschil tussen CTL en ATL; geeft herstelstatus en vermoeidheid aan.

    TSS (Training Stress Score)
    Relatieve maat voor trainingsbelasting, gebaseerd op duur en intensiteit; handig voor planning en herstel.

    TT
    Time Trial = Tijdrit
    Wielerwedstrijd tegen de klok, individueel of per team, over een vaste afstand op de weg; nadruk ligt op snelheid en aerodynamica.

  • Ultra
    Categorie langeafstandsfietstocht die aanzienlijk langer is dan een standaard Gran Fondo, vaak 300 km of meer; recreatief of competitief gereden.

  • Vitamine D
    Belangrijk voor botgezondheid, spierfunctie en het immuunsysteem; veel sporters hebben een tekort, vooral in wintermaanden.

    VO₂max
    De maximale hoeveelheid zuurstof die je spieren per minuut kunnen gebruiken tijdens inspanning; bepaalt mede je uithoudingsvermogen. VO₂max is een maat voor hoe goed je longen, hart en spieren samenwerken om zuurstof om te zetten in energie.

  • Warmteadaptatie
    Fysiologisch proces waarbij het lichaam zich aanpast aan hoge temperaturen, bijvoorbeeld door meer zweetproductie en efficiëntere bloedstroom.

    Watt/Wattage
    Vermogen dat een fietser levert, gemeten met een powermeter op het crank of pedaal of op een ergometer.

    Watt/kg
    Vermogen dat een sporter levert gedeeld door lichaamsgewicht, uitgedrukt in watt per kilogram. Wordt gebruikt om prestaties eerlijk te vergelijken.

    Wervelkolom
    Bestaat uit cervicale (nek), thoracale (borst), lumbale (onderrug) wervels; beschermt het ruggenmerg, ondersteunt houding en stabiliteit.

    Wieltjesplakker
    Renner die profiteert van de slipstream van anderen door zelf minder inspanning te hoeven leveren (en nooit overneemt).

  • XCM
    Cross-Country Marathon
    Mountainbike-discipline over lange afstanden (meestal 60–120 km) op gevarieerde terreinen, gericht op uithoudingsvermogen en strategie in plaats van korte technische rondes.

    XCO (Cross Country Olympic): Mountainbike-discipline op een technisch parcours met heuvels, obstakels en wisselende ondergrond, verreden over meerdere rondes.

  • Yin Yoga
    Rustige yogastijl waarbij houdingen lang worden vastgehouden (3–5 minuten of langer) om bindweefsel, flexibiliteit en ontspanning te bevorderen, nuttig voor herstel bij duursporters.

  • Zone
    Trainen in specifieke hartslag- of vermogenszones om verschillende trainingsdoelen te bereiken (bijv. vetverbranding, lactaatdrempel, maximale inspanning).

info@De8020Coach.nl
KvK nr: 99312093
BTW nr: NL005381673B26
06 - 15 26 86 83